Blackjack begrippen van A tot Z
Aan een blackjacktafel hoor je veel Engelse termen door Nederlandse zinnen heen. In deze lijst staan de begrippen die je het vaakst tegenkomt, op alfabet. Waar een Nederlandse en een Engelse term allebei gangbaar zijn, staan ze bij elkaar. Wil je zien hoe de begrippen in een ronde samenkomen, lees dan de spelregels.
A
Aas: de enige kaart met twee waarden, 1 of 11. Een aas maakt je hand zacht zolang hij als 11 telt.
B
Bankroll: het totale bedrag dat je hebt gereserveerd om mee te spelen. Een vaste bankroll helpt je om niet meer uit te geven dan je van plan was.
Basic strategy (basisstrategie): de wiskundig beste beslissing voor elke combinatie van jouw hand en de open dealerkaart. Je vindt de tabellen op de pagina over strategie.
Burn card: de eerste kaart na het schudden, die de dealer ongezien weglegt. Het is een gewoonte die valsspelen moet bemoeilijken.
Bust: je totaal komt boven de 21. Je verliest je inzet direct, ongeacht wat de dealer daarna doet.
C
Croupier: een ander woord voor de dealer, de medewerker die de kaarten deelt en uitbetaalt.
Cut card: een gekleurde plastic kaart die in de shoe wordt gestoken. Komt die kaart voorbij, dan wordt na de ronde opnieuw geschud.
D
DAS (double after split): de regel dat je na het splitsen ook mag verdubbelen. Dat is gunstig voor de speler.
Dealer: de persoon of het programma dat namens het casino speelt. De dealer volgt vaste regels en maakt geen eigen keuzes.
E
Even money: een aanbod als jij blackjack hebt en de dealer een aas toont. Je krijgt direct 1 tegen 1 uitbetaald, wat hetzelfde is als je hand verzekeren.
F
Flat betting: steeds hetzelfde bedrag inzetten, ongeacht winst of verlies. Het verandert het huisvoordeel niet, maar houdt je schommelingen beheersbaar.
H
Hard hand: een hand zonder aas, of met een aas die als 1 moet tellen. Een harde 16 kan bust gaan met elke kaart van 6 of hoger.
Hole card: de dichte tweede kaart van de dealer. In Europees blackjack wordt die pas gedeeld als alle spelers klaar zijn.
Huisvoordeel: het percentage van je inzet dat het casino gemiddeld op lange termijn wint. Bij goede regels en perfecte strategie ligt dat rond een half procent.
H17: de dealer koopt op een zachte 17. Deze regel is iets ongunstiger voor de speler dan S17.
I
Insurance (verzekering): een bijzet van maximaal de helft van je inzet als de dealer een aas toont. Je wint 2 tegen 1 als de dealer blackjack heeft, maar op lange termijn verlies je erop.
K
Kopen (hit): een extra kaart vragen.
N
Natural: een blackjack, dus een aas en een kaart van 10 punten als eerste twee kaarten. Wordt meestal 3 tegen 2 uitbetaald.
O
Overgeven (surrender): je hand opgeven en de helft van je inzet terugkrijgen. Bij late surrender kan dat pas nadat de dealer op blackjack heeft gecontroleerd, bij early surrender al eerder.
P
Passen (stand): geen kaarten meer nemen.
Peek: het moment waarop de dealer bij een aas of tien als open kaart onder de hole card kijkt. Heeft de dealer blackjack, dan eindigt de ronde meteen.
Penetratie: hoe ver de dealer in de shoe deelt voordat er opnieuw geschud wordt. Diepere penetratie is gunstiger voor kaarttellers.
Perfect pairs: een populaire bijzet die uitbetaalt als je eerste twee kaarten een paar zijn. Een paar van dezelfde kleur en soort betaalt het meest.
Pit boss: de leidinggevende die toezicht houdt op een groep tafels. Bij hem of haar kom je uit als er een geschil is.
Push: gelijkspel tussen jou en de dealer. Je krijgt je inzet terug.
R
RSA (resplit aces): de regel dat je gesplitste azen opnieuw mag splitsen als er weer een aas komt. Zeldzaam en gunstig voor jou.
RTP (return to player): het percentage van alle inzetten dat gemiddeld terugvloeit naar spelers. Een RTP van 99,5 procent komt overeen met een huisvoordeel van 0,5 procent.
Running count: de lopende telling die een kaartteller bijhoudt, bijvoorbeeld met het Hi-Lo-systeem.
S
Shoe: de bak waaruit de dealer deelt, met meestal zes of acht decks.
Side bet (bijzet): een extra inzet naast je gewone hand, zoals perfect pairs of 21+3. Bijzetten hebben bijna altijd een hoger huisvoordeel dan het hoofdspel.
Soft hand: een hand met een aas die als 11 telt, zoals aas en 7 (zacht 18). Je kunt niet bust gaan met één extra kaart.
Splitsen (split): twee gelijke kaarten scheiden en als twee handen spelen, met een tweede inzet.
S17: de dealer blijft staan op een zachte 17. Gunstiger voor jou dan H17.
T
True count: de running count gedeeld door het aantal decks dat nog in de shoe zit. Pas de true count zegt iets over je voordeel. Meer hierover lees je bij kaarten tellen.
21+3: een bijzet waarbij je twee eerste kaarten en de open dealerkaart samen een pokerhand vormen, zoals een flush of een straight.
U
Upcard: de open kaart van de dealer. Je beslissingen hangen voor een groot deel van deze kaart af.
V
Verdubbelen (double down): je inzet verdubbelen en precies één kaart krijgen.